Nieuwe website

Beste lezer,
Dit blog bevat artikelen over kunst in de openbare ruimte, architectuur, beeldende kunst, erfgoed en cultuureducatie die zijn gepost tot maart 2011. Voor al mijn artikelen die na die datum zijn gepubliceerd verwijs ik u graag naar mijn huidige website: www.ruimtezicht.nl

Prullenbak als vijand

Onlangs moest ik met mijn zoontje naar het ziekenhuis. Het was een routinebezoekje aan de oogarts, eigenlijk niets bijzonders. Aangezien ik wel vaker voet zet in het Kennemer Gasthuis in Haarlem-Noord, viel mij bij binnenkomst direct iets op aan de inrichting. Waar het indrukwekkende kunstwerk Hard Copy, Real Time van David Jablonowski normaal gesproken ‘vrij’ in de ruimte staat, waren de banken en een klein leestafeltje nogal schaamteloos tegen de sculptuur aangeschoven. Doordat het werk aan een zijde beknot werd in zijn uitstraling, kreeg het hierdoor de achteloosheid van een pilaar. Even twijfelde ik aan mijn eigen waarneming, maar al snel was ik er zeker van dat dit niet de intentie van de kunstenaar geweest kon zijn.

Voor de meeste mensen zal deze constatering overigens geen enkele schok opleveren. En daar zit nu precies het probleem van de weerbarstige praktijk. Even los van de vele betrokken partijen, vergunningen, inspraakrondes en andere uitdagingen waar de kunstenaars en adviseurs zich bij de realisatie van werk in de openbare ruimte begeven, houdt het circus niet op wanneer het werk eenmaal geplaatst is. Wanneer de kunstenaar en adviseur eenmaal uit beeld zijn verdwenen, is het werk vogelvrij. Natuurlijk worden er – in de meeste gevallen – gedegen contracten aangegaan waarin is opgenomen dat de gemeentelijke dienst of anderszins het werk moet onderhouden. Maar wie let op of de artistieke uitgangspunten van het werk overeind blijven? Het werk zelf verandert immers niet, maar de omgeving op den duur wel.

Neem nou de prullenbak. Deze is samen met de bloembak en de fiets een van de grootste vijanden van het kunstwerk in de openbare ruimte. Binnen een gelegenheidscommissie die adviseert over het openbaar kunstbezit in Rotterdam, kwam ik laatst een treffend voorbeeld tegen in de gedaante van het Lezend meisje van Huib Noorlander. Het is een schattig klein beeldje zoals je er wel meer van kunt tegenkomen in de stad. Weinig vernieuwend, maar wel sympathiek. Het werk staat sinds 1960 bijna onafgebroken aan de Korte Lijnbaan, temidden van het winkelend publiek. Het wordt geflankeerd door een prullenbak die in zijn volume het beeld haast overtreft. Door de grote tegenstelling van zo’n lezend meisje die midden in de drukke winkelstraat stug doorleest, zou je haast denken dat ze de consumptiedrift aan de kaak stelt.

Het punt is dat een schattig beeldje op een sokkel verstoord wordt door de aanwezigheid van een aangrenzende prullenbak van wereldformaat. Net als de zuil van Jablonowski wordt geteisterd door een onnozel IKEA leestafeltje. Iemand die dit probleem heeft weten te tackelen, is Roland Sohier. De Utrechtse kunstenaar die vooral bekend is om zijn humoristische tekeningen van mensfiguren die wezensvreemde proporties aannemen, realiseerde een beeld voor de Dorpsvereniging van Slochteren. Hierbij had hij zijn oog laten vallen op een stukje perceel met een lullig gemeentebankje en dito prullenbak. De opdracht was om een monument te realiseren voor de rijke boeren en arme landarbeiders, die de sociale verhoudingen in het gebied tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw kenmerkten.

De gemeentebank verving hij door een bronzen beeld van een kruipende man, die een rijke stinkerd op zijn rug draagt. De prullenbak liet hij dragen door een bronzen prullenman die genoodzaakt is om te eten uit de afvalbak. Net zoals de gefortuneerde boer en de armzalige landarbeider tot elkaar veroordeeld zijn, is dit kunstwerk niet compleet zonder de afvalbak. Zo is de weerbarstige praktijk toch nog knap omzeild.

Verschenen op Tubelight

Getagged , ,

Denk jezelf rijk

In een zielloos vergaderzaaltje van het Utrechtse NH Hotel staan een rij stoelen opgesteld voor een beamerinstallatie. Op het scherm is een strakblauwe hemel te zien waarop briefgeld in een constante stroom de bezoeker tegemoet vliegt. Op de achtergrond klinkt een liedje op herhaling: ‘Motivation, it’s focussing on who you truly are, aim higher for one specific star.’

De toon is gezet. Op uitnodiging van Expodium houdt Pilvi Takala (Helsinki, 1981) een powerpoint presentatie over technieken hoe je financiële rijkdom kunt verwerven. De kunstenaar heeft het kunstpubliek in deze barre tijden naar dit hotel weten te lokken met de belofte ‘Money Making Strategies That WORK’. Vooraf geldt een tien euro inleg, maar wie achteraf niet tevreden is krijgt het dubbele bedrag terug.

Wacht eens even, een powerpoint presentatie? Dit moet een grap zijn. Toch niet, want Pilvi Takala is doodserieus. Naast haar carrière als performance en videokunstenaar (onlangs werd ze genomineerd voor de Prix de Rome) is ze ook gecertificeerd NLP practioner. NLP staat voor neuro linguïstisch programmeren, een denkmodel dat gericht is op het conditioneren van de geest en het aanleren van nieuw gedrag. Emile Ratelband (Tsjakka! U kent hem nog wel) is bijvoorbeeld een beoefenaar van NLP. Hoewel Takala de zaal aan het begin bemoedigend toespreekt met ‘Congratulations, you took action!’ staat ze niet met het schuim op de lippen of hevig zwaaiende ledematen te spreken. Integendeel. Beheerst en geroutineerd loodst ze de aanwezige kunstenaars, curatoren en kunstcritici door haar presentatie heen.

Gefascineerd door haar jongere broertje die zo’n half miljoen dollar op jaarbasis verdient met online poker, besloot Takala te analyseren welke strategieën er schuilgaan achter het keiharde geld verdienen. Het geheim: wie rijk wil worden, moet zichzelf een andere mentaliteit toe eigenen. Om dit te illustreren toont ze een aantal technieken uitgedragen door Amerikaanse en Britse ondernemers die sterk appelleren aan de NLP methode. Zo is er de selfmade man Robert Kiyosaki die met zijn bestseller Rich Dad, Poor Dad de denkfouten rondom geld verdienen inzichtelijk maakt. In zijn verhaal beschrijft hij twee vaders. De arme vader voedt hem op met het idee: ‘The love of money is the root of all evil’ terwijl de rijke hem inpepert: ‘The lack of money is the root of all evil.’ Wanneer je echt geld wilt verdienen, moet je andere mensen voor je laten werken, of flink investeren zodat het geld voor jou werkt. Als kleine zelfstandige of loondienst werken is in ieder geval uit den boze, dat staat immers gelijk aan just over broke (job). Het nadeel van deze visie is wel dat er altijd mensen nodig zijn die arm blijven, om zo de rijken te kunnen voeden.

Ook toont Takala meer spirituele voorbeelden hoe je geldelijk gewin kunt bereiken. Jamie Smart, een Britse NLP meester, laat het allemaal neerkomen op het vinden van je unieke doel op deze aarde. Wie zijn innerlijke drijfveren ontdekt en zich daar op richt, zal merken dat de rest vanzelf komt. Bovendien is er geen arme onderlaag noodzakelijk om deze methode te onderbouwen. Iedereen kan rijk worden, als je maar in jezelf gelooft.

Meer variaties op dat thema passeren de revue, met af en toe hilarische momenten zoals de Amerikaanse Dr. Joe Vitale die zich na zijn schreeuwerige bestsellers Attractor Factor en Attract Money Now zich eveneens heeft gespecialiseerd in de techniek hoe je nieuwe auto’s kunt aantrekken. Op het moment dat de meeste mensen in de zaal proesten van het lachen wanneer Dr. Joe Vitale het verzamelen van nieuwe auto’s als het ultieme levensgeluk promoot, blijft Takala strak voor zich uitkijken. Het gaat knagen. Is dit een performance? Of heeft haar kunstenaarschap helemaal niets met deze presentatie van doen?

Kenmerkend voor het werk van Takala is dat ze zich in andere werelden onderdompelt om sociale codes aan het licht te brengen. Zo ging ze in 2008 een maand lang als marketingtrainee aan de slag bij Deloitte in Helsinki, waar ze als Johanna Takala geleidelijk aan steeds abnormaler gedrag ging vertonen. Maar weinig mensen binnen de organisatie waren op de hoogte van de ware toedracht van dit project dat het Kaisma Museum of Contemporary Art in samenwerking met Deloitte had opgetuigd. Met een verborgen camera registreerde ze de reacties van het personeel toen ze dagen lang achter haar bureau zat en niets deed, of een dag lang in de lift verbleef om beter te kunnen nadenken. De ongeschreven omgangsregels die binnen een organisatie gelden legde ze genadeloos bloot.

Wat haar kennis over Money Making Strategies de kunstenaar tot nu toe heeft opgeleverd? Zoals Dr. Joe Vitale propageert, gaf Takala onlangs geld weg aan een goed doel zonder er iets voor terug te verwachten. Prompt een paar dagen later leverde dit altruïsme haar de eerste prijs op voor haar video Real Snow White op het Stuttgart Film Winter Festival.

Verschenen op Lucy

Getagged , , , ,

Ontwapenende adolescentie

ineke Dijkstra, Nicky, Liverpool, Engeland 19 Januari, 2009 Courtesy Marian Goodman Gallery, New York/Parijs, Max Hetzler, Berlijn en de kunstenaar

Het was in 1996 toen Rineke Dijkstra met ‘The Buzz Club/Mysteryworld’ adolescenten uit Liverpool en Zaandam van de dansvloer plukte en vastlegde op camera. Pubers die voor de lens van Dijkstra verschenen waren vaak nog bedwelmd door de drank of hyper van de speed. Al kauwgom kauwend stonden de jongeren te hakken in hun glimmende trainingspakken. De foto’s en video doen mij denken aan de tijd toen ik zelf als tiener ronddwaalde op illegale housefeesten. Nu vijftien jaar later, toont ze een vervolg in De Hallen Haarlem met portretfoto’s en een vier-kanaals videoprojectie van jongeren met ‘The Krazy House’ (Liverpool, 2009). Het levert een intrigerend tijdsbeeld op van jongeren die zijn opgegroeid met de openbaarheid van televisie en internet.

Dijkstra werd vanaf de jaren negentig wereldwijd bekend met portretseries van onder meer jongeren op het strand en pas bevallen vrouwen. Ze breidde haar oeuvre gestaag uit met films, die net als haar foto’s zo kenmerkend zijn door de kwetsbaarheid die haar geportretteerden blootgeven. Tegelijkertijd staan de individuen die voor haar camera verschijnen veelal model voor een gehele subcultuur. Dit is ook het geval bij ‘The Krazy House’, waarvoor Dijkstra adolescenten uitnodigde om buiten openingstijden van de discotheek te komen dansen op hun favoriete muziek. Ee diversiteit aan trends wordt zichtbaar. Zo toont ze een jongen die gepassioneerd luchtgitaar speelt op metalmuziek, maar ook een meisje dat voorzichtig heupwiegt op een R&B dancenummer.

Rineke Dijkstra. The Krazy House, 2009. 4 kanaals HD video-installatie. Courtesy Marian Goodman Gallery, New York

Waar de jongeren bij ‘The Buzz Club’ nog wat onwennig in de camera keken, tonen de adolescenten uit het huidige internettijdperk zich veel zelfbewuster. Al vroeg leren ze zich een publiek imago aan te meten, compleet met Facebook- en Twitteraccounts. Maar ondanks, of misschien wel dánkzij die mediatraining, ben je als kijker extra gefixeerd om de persoon achter die façade te vangen. Prachtig is bijvoorbeeld Nicky, die heel uitdagend de camera inkijkt terwijl ze sensueel danst op het housenummer Need to be loved. Ze laat in haar strakke opkruipende jurkje niets aan de verbeelding over. Toch verraadt haar jonge lichaam met vers pubervet, dat ze wellicht nog niet ervaren heeft wat liefde allemaal inhoudt. Dat maakt ‘The Krazy House’ zo ontwapenend om naar te kijken. Je ziet jongeren die verlangen naar volwassenheid, maar dit nog lang niet zijn.

Verschenen in Kunstbeeld, maart 2011

Getagged , ,

Voetbal wint terrein

Voetbal. Het kon mij voorheen maar weinig interesseren. Dat ligt misschien aan mijn cultureel verantwoorde opvoeding, waarin deze volkssport met veel dedain als een overschat verschijnsel werd weggezet. Oranjegekleurde woonwijken en overvolle cafés met metershoge televisieschermen, waren doorgaans niet aan mij besteed. Onlangs ben ik pas echt goed ingevoerd in deze balsport. Niet dankzij de marketing van een plaatselijke club, maar via kunst in de openbare ruimte. In de artistieke wandelgangen wordt het fenomeen al enige tijd zonder gêne omarmd.

Zo vond in september de Poldercup van de Spaanse kunstenaar Maider López (1976) plaats. Via dit project wist Lopez de bal, het oer-Hollandse landschap en de typische poldermentaliteit op een bijzondere manier met elkaar te verenigen. Ze maakte hierbij slim gebruik van de uitstrekkende Zuid-Hollandse polders, om er vier grote voetbalvelden op te creëren. Tijdens dit één dag durende project, georganiseerd door SKOR | Kunst en Openbare Ruimte en Witte de With, werd echter niet zomaar een balletje getrapt. Dwars door de speelvelden liepen onhandige sloten, waardoor het spel zwaar op de proef werd gesteld. Iedere keer dat er een bal te water ging was er coalitievorming tussen de tegenstanders vereist. De tweehonderd amateurvoetballers waren op de dag van de wedstrijd dus letterlijk en figuurlijk aan het ‘polderen’ tot ze er uitgeput bij neervielen.

Het duurde niet lang of het volgende voetbal- en kunstproject diende zich aan. Op initiatief van de sportclub ASV Arsenal in Amsterdam Oud-Zuid, is er vanaf november 2010 gestart met het ‘inzaaien van kunst’ rond het voetbalveld en het clubhuis. Omdat ASV Arsenal niet zomaar wat gefröbel op haar club wilde, zocht ze naar een samenwerking met SKOR | Kunst en Openbare Ruimte om beeldend kunstenaars aan te trekken die wel raad wisten met de invulling van deze locatie. Uiteindelijk heeft een elftal kunstenaars de opdracht gekregen een permanente plek te veroveren op het terrein onder de toepasselijke noemer TERREINWINST. Gefaseerd wordt er nu kunst opgeleverd, tot het project in mei 2011 is voltooid.

De kunstwerken gaan over het spel, de maatschappelijke context en in sommige gevallen over ASV Arsenal zelf. Zo fotografeerde Paulien Oltheten rituelen rondom het voetbalveld, zoals moeders die afscheid nemen van hun kroost via de tralies van het hek, of spelers die routinematig hun spieren oprekken. Door haar regie tilt Oltheten de bewegingen naar het niveau van een choreografie. De foto’s en haar gebruikelijke objectieve commentaar bij de beelden heeft ze verwerkt tot collages op de tafelbladen in de sportkantine.

Ook de doorgaans dodelijk saaie reclameborden langs het sportveld worden door een aantal kunstenaars onder handen genomen. Hans van der Meer die sinds eind jaren negentig uitvoerig het landschap van het amateurvoetbal verkent, kon natuurlijk niet aan deze lijst ontbreken. Voor TERREINWINST heeft hij ‘Tien manieren om geblesseerd te blijven liggen’ in beeld gebracht, waarbij hij verwijst naar de volwassen mannen die kermend en theatraal in het gras liggen terwijl er doorgaans maar weinig fysiek leed geleden is. Het beeld is confronterend voor mannen die met deze zogenaamde schwalbes hun emoties weten te kanaliseren. Want wie gaat er geflankeerd door deze beelden zelf nog zo overdreven het slachtoffer uithangen? Naast werk langs het grasveld toont Hans van der Meer een aantal foto’s bij de kleedkamers en een film in de kantine van het clubhuis.

Marieken Verheyen reisde af naar Gambia, waar zo’n tachtig complete sponsoroutfits van ASV Arsenal via het goede doel waren terechtgekomen. Verheyen documenteerde haar zoektocht op een weblog en vond alle kleding terug, kleding die voor de Afrikanen een rijk bezit bleek te zijn. Ze maakte levensgrote panoramafoto’s waarop de trotse Gambianen – gestoken in reclameshirts uit Amsterdam – gehurkt op een rijtje zitten. Door de foto’s van de spelers direct op het speelveld te laten aansluiten, is het alsof de Afrikanen in levende lijve toekijken hoe hun collega’s uit Amsterdam spelen.

TERREINWINST zegt een brug te willen slaan tussen sport en kunst. In mijn geval heeft dat zeker effect gehad. Wie weet dat ik ooit nog eens spontaan een balletje ga trappen.

Verschenen op Tubelight in het kader van mijn rubriek ‘Buiten in Beeld’.

Getagged , , ,

Op naar duurzaam Limburg

Al enige tijd promoot Zuid-Limburg zichzelf met de slogan Bright site of life. Een overvloed aan ruimte, banen en betaalbare woningen moeten de randstedelingen uit hun te krappe huizen naar het zuiden des lands lokken. Limburg kan er namelijk niet omheen: ze krimpt. Welke oplossingen dragen architecten aan? Duurzaamheid lijkt het devies.

In Parkstad Limburg, een agglomeraat van acht gemeenten waaronder Heerlen en Kerkrade, zijn de gevolgen van de demografische terugloop als eerste voelbaar. Rond 2035 zal de bevolking daar naar verwachting met achttien procent afgenomen zijn. Er zijn verschillende manieren waarop bestuurders met dit ‘doemscenario’ kunnen omspringen. Zo proberen sommige gemeenten het tij te keren door naarstig nieuwe bewoners en bedrijven aan te trekken, vaak vergezeld met dure marketingcampagnes. Niet zo verstandig, beschrijft Gert-Jan Hospers in zijn onlangs verschenen publicatie Krimp! Volgens de bijzonder hoogleraar City- en Regiomarketing aan de Radboud Universiteit Nijmegen, moeten bestuurders niet in de kramp schieten om krimp. Het marketinggeld kan beter worden besteed om de bestaande bewoners binnen boord te houden, dan de illusie te koesteren nieuwkomers te trekken. Dat is even slikken voor een samenleving die altijd gericht is geweest op groei. Om met krimp om te kunnen gaan, is er dus een omslag in het denken nodig.

Behoud is goud
Aan het begin van de twintigste eeuw floreerde het zuiden van Limburg door het winnen van steenkool. In totaal verrezen twaalf mijnen om het ‘zwarte goud’ naar de oppervlakte te brengen. De Limburgse motor voor de economie kwam echter vanaf 1965 tot een einde toen de concurrentie van aardgaswinning en buitenlands steenkool de mijnbouw niet langer rendabel maakte. Bijna alle mijngebouwen, koeltorens, schachtgebouwen en spoorwegemplacementen werden door een grootschalige herstructurering gesloopt of ontmanteld. Nu het inwoneraantal in Limburg door vergrijzing en ontgroening steeds verder daalt, moeten ook steeds meer mijnwerkerswoningen het ontgelden. Het resultaat is een gatenkaas die wordt geslagen in de karakteristieke mijnkoloniën. Zo ook in Sanderbout, een kolonie in Sittard-Geleen.

Postbode Veestraat Sanderbout. Foto: Jerome Paumen

Dertien jaar lang stond deze wijk in de westelijke mijnstreek al op de nominatie om grotendeels gesloopt te worden. De woningcorporatie wil het sociale huurwoningbestand terugdringen en er luxe nieuwbouw voor in de plaats zetten. Tot grote ontsteltenis van de gemeenschap, waarvan velen zelf nog in de steenkool werkzaam zijn geweest. Als demarche schreven de bewoners van Sanderbout een prijsvraag uit voor architecten en stedenbouwers om een alternatief te verzinnen tegen de sloop van de 450 woningen. Uit zeventien inzendingen werd het voorstel van Jerome Paumen (HVN Architecten bv) gekozen tot de winnaar. In plaats van stedelijke vernieuwing stelt Paumen een bourgondische ingreep voor. Zijn motto: Behoud is goud. In zijn visie vormt de oude mijnwerkerskolonie met haar compacte structuur de ruggengraat van de wijk. Wanneer je rigoureuze aanpassingen doet door te slopen, sla je letterlijk en figuurlijk de ziel uit Sanderbout. Juist door de bestaande bouw zoveel mogelijk te behouden en daar waar het echt nodig is te slopen, kan de structuur van de historische mijnbouw behouden blijven. Met minimale middelen probeert hij het maximale potentieel uit de wijk te halen. Zo stelt hij voor om bestaande woningen samen te voegen of uit te breiden. Hiermee slinkt de woningvoorraad, zonder de botte bijl te hanteren. Dit betekent echter niet dat Paumen tegen vernieuwing is. Hij pleit er alleen voor te behouden wat goed is en op een kleinschalige manier van bouwen aan te sluiten op de karakteristieken van de wijk.

Ecosysteem
Een ander bureau dat met een duurzame oplossing voor Parkstad Limburg kwam, is 2012Architecten uit Rotterdam. Door het Ministerie van VROM, Atelier Rijksbouwmeester en het Planbureau voor de Leefomgeving werden zij gevraagd een strategie voor duurzame stedenbouw te ontwikkelen. De Heerlense krachtwijken Meezenbroek, Schaesbergerveld en Palemig (MSP) stonden hierbij als casestudy centraal. Gespecialiseerd in cradle to cradle bouwen, besloot 2012Architecten het gebied als een ecosysteem te benaderen. Ze analyseerde de locatie met een multidisciplinair team van onder meer een scheikundige, een waterexpert en een milieukundige. Bestaande stromen zoals energie, transport, geld, voedsel en water werden voor dit gebied in kaart gebracht. Door het potentieel aan onderlinge verbindingen in het gebied aan te wijzen, wisten ze een kringloopmodel te bewerkstelligen. De verbindende schakels noemt Jan Jongert van 2012Architecten Cyclifiers.

Voorbeelden hiervan zijn kassen die tussen bestaande rijtjeswoningen warmteverlies opvangen en voedselproductie mogelijk maken. Of leegstaande flats die worden ingericht als pakhuis of champignonkwekerij. Dergelijke activiteiten kunnen behalve een duurzame impuls ook werkgelegenheid en een nieuw zelfbewustzijn voor de regio opleveren. Door de voedselketen, energiehuishouding en economie op wijkniveau te concentreren, heeft Jongert met zijn team berekend dat MSP over dertig jaar voor 80% zelfvoorzienend zou kunnen zijn. De schematische weergave van het ecosysteem of Recyclicity, zoals 2012Architecten het noemt, geeft de bewoners en bestuurders inzicht in de keuzen die zelfvoorziening mogelijk maken. In zijn visie ligt de uitdaging voor Parkstad Limburg er dus in dat ze slim hergebruiken en verbindingen leggen op lokaal niveau. Totale autarkie is daarbij niet het doel, want Jongert is zich welbewust van het feit dat ecosystemen pas werken als lokale kringlopen aansluiten op die van hogere schaalniveaus.

Stad.Preparaat

Preparaat
Ook het architectenbureau P-EN-M, gevestigd in Zuid-Limburg, heeft haar blik gericht op de wijze waarop de inefficinte stromen bij stadsplanning verlopen. De combinatie van monofunctionele spreiding en gebrek aan coördinatie van functiemigratie ondermijnt de samenhang van de krimpende steden. Volgens hen is krimp een sociaal, economisch en ruimtelijk probleem, welke met interdisciplinair denken zal moeten worden benaderd. Met het onderzoeksproject Stad.Preparaat proberen Nora Müller en Tim Prins van P-EN-M alternatieven aan te dragen voor het groeidenken. Het onderzoeksgebied richt zich op Heerlen, Sittard-Geleen en Maastricht.

Momenteel bezetten ze een leeg winkelpand in Maastricht, van waaruit ze bijeenkomsten organiseren. Door de perforaties in de stad als projectruimte aan te wenden, vestigen ze de aandacht op het waarborgen van de sociale eenheid. Bewoners, bestuurders, ondernemers, kunstenaars, architecten en wetenschappers worden actief betrokken bij deze bijeenkomsten. Na de eerste onderzoeksfase wordt het project voortgezet met ontwerpend onderzoek in de drie steden. Het doel hierbij is om concrete strategien aan te dragen die rekening houden met de ruimtelijke overvloed en demografische onderdruk.

De plannen die de architecten aandragen sluiten naadloos aan op het advies dat het Planbureau voor de Leefomgeving onlangs uitgaf en Hospers in zijn publicatie beaamt: Krimpregio’s zouden vooral moeten investeren in behoud en versterking van de leefomgeving door zich te richten op de bevolking en bedrijvigheid die al aanwezig is in de regio’s. Het is nu de keus aan de politiek in hoeverre ze de ontwerpvisies gaat opvolgen. De initiatieven wijzen in elk geval in de goede richting. Het gaat niet langer om kwantiteit, maar juist om de kwaliteit.

Verschijnt in De Architect, Februari 2011

Getagged ,

Omarmen van leegte

Nu de economische crisis onze gejaagde levens tot een pas op de plaats maant en leegstand op vele plekken eerder regel dan uitzondering is, zijn er twee opties: zitten kniezen en wachten tot de markt weer aantrekt, of leegstand met een gezonde dosis creativiteit benutten. De creatieve sector kiest voor het laatste.

Tijdens het symposium LOKO10, over kunst en monumenten in de veranderende stad, stond onder andere de rol van kunstenaars en architecten bij vraagstukken rondom leegstand en krimp centraal. Aan het woord kwam onder andere landschapsarchitect Ronald Rietveld (Rietveld Landscape), die verantwoordelijk was voor de invulling van het Nederlandse paviljoen tijdens de Architectuurbiënnale 2010. De boodschap van Rietveld was helder. Het paviljoen gesitueerd in de Venetiaanse Giardini, staat afgezien van enkele maanden per jaar, al 39 jaar lang leeg. Ditzelfde geldt voor een hoeveelheid aan vuurtorens, watertorens, molens, kerken, kloosters en andere publieke gebouwen in Nederland.

Zee van leegstand
De tentoonstelling ‘Vacant NL’ maakte de zee van leegstand op indringende wijze voelbaar. Vijfduizend blauwe foam-gebouwtjes variërend van de 17e tot aan de 21e eeuw, zweefden boven de hoofden van de bezoekers in een verder leegstaand paviljoen. Rietveld ging met de presentatie echter nog een stapje verder door niet alleen leegstand te signaleren, maar deze ook te koppelen aan de Nederlandse ambitie om in 2020 tot de top vijf van kenniseconomieën ter wereld te behoren. Door de leegstand tijdelijk te benutten met kruisbestuivingen tussen creativiteit, techniek en wetenschap kan Nederland op termijn weer mondiaal meespelen op het terrein van de creatieve industrie, dat één van de vijf sleutelgebieden binnen de Nederlandse Kennis en Innovatie Agenda vormt.

Voor Rietveld is tijdelijkheid een cruciale factor. Het tijdelijke karakter zorgt er namelijk voor dat er ruimte is voor experiment, waardoor er niet vooraf in eindbeelden wordt gedacht. Juist door professionals uit diverse vakgebieden samen de ruimtelijke condities van het leegstaand vastgoed te laten onderzoeken, kunnen er nieuwe impulsen ontstaan. Old stuff triggers new ideas, zoals de stadsactiviste Jane Jacobs in de jaren ’60 van de vorige eeuw al opmerkte.

Duidelijk wordt dat er steeds meer aandacht is voor de creatieve invulling van plekken die in de tussentijd leeg staan. Beeldend kunstenaar Sabrina Lindemann (Mobiel projectbureau OpTrek) en architect Iris Schutten (Studio Iris Schutten) organiseerden tussen 2007 en 2009 een serie succesvolle ‘Laboratoria voor de Tussentijd’ in de Haagse herstructureringswijk Transvaal. Hiermee keken ze met interdisciplinaire teams variërend van architecten, stedenbouwers, sociologen en kunstenaars naar de kansen die braakliggend terrein en leegstaande panden te bieden hebben.

Recentelijk ontwikkelden Lindemann en Schutten een nieuw model voor omgang met leegstand. Een oud wijk- en dienstencentrum in Transvaal dient hiervoor als testlocatie. Het plan is om twee jaar lang met bewoners en organisaties uit de buurt het gebruik van het gebouw te toetsen aan de mores van de werkelijkheid. Na die periode wordt een bouwplan gemaakt waarin de wensen ten aanzien van het gebruik zijn opgenomen. Dit kan variëren van de sociale invulling van het gebouw, tot aan praktische zaken zoals de plaatsing van een nieuwe ingang voor het pand. Binnen dit model zijn bewoners mede-eigenaar van het plan. Een benadering die aanzet tot een grotere zelfstandigheid en mondigheid ten aanzien van de leefomgeving. Ondanks de potentie die het plan met zich meedraagt, is het project vastgelopen op het feit dat de gemeente om economische redenen het pand nu zo snel mogelijk wil gaan verkopen en daarvoor zelfs zo ver wil gaan de bestemming van het pand te wijzigen. Bijzonder jammer, want het was een interessante proef voor co-creatie in de stedelijke praktijk geweest.

Krimp als kans
Naast leegstand door economische bouwstop, wordt Nederland net als de rest van Europa bedreigd door een ander probleem: demografische krimp. In de perifere gebieden hangt dit gegeven ons als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Maar in plaats van toe te geven aan krimpangst, kan ook hier toekomstige leegte als kans gezien worden.

Zo heeft het Utrechtse kunstenaarsplatform Expodium een artist in residence programma in de shrinking city Detroit opgezet om nieuwe strategieën in de openbare ruimte te ontwikkelen. Ze sturen kunstenaars op pad om het stedelijk weefsel van Detroit te verkennen en onderdeel te worden van de heersende sociale structuren. De informatie en ervaringen die ze in de voormalige auto-industriestad opdoen, nemen ze vervolgens weer mee naar Utrecht.

Ook kunstenaar Jeanne van Heeswijk is actief in een krimpregio. De komende 2,5 jaar is zij in opdracht van de Liverpool Biënnale actief in Anfield, een wijk in Liverpool waar de inwoneraantallen de afgelopen decennia drastisch gedaald zijn. Van de 1400 huizen, zijn er nog maar zo’n 400 bewoond. Associaties met een spookstad zijn hierdoor snel gelegd. Van Heeswijk is van plan om met jonge, werkloze bewoners een serie nieuwe huizen te bouwen op een braakliggend terrein. Het doel hierbij is dat de jongeren zelforganiserend te werk gaan. Naast de invloed die ze hiermee uitoefenen op hun eigen leefomgeving, leren ze tegelijkertijd een vak beheersen. De krimp wordt hierdoor een kans voor hun om de toekomst weer naar eigen hand te kunnen zetten. Daarnaast wil Van Heeswijk ook inzetten op een zelfvoorzienende moestuin naast de nieuw te bouwen woningen, die overigens allemaal uit materialen van de afbraakhuizen afkomstig zullen zijn. Het enige struikelblok hierbij is dat de rode bakstenen en houten balken, ook gewillig handelswaar zijn voor dure lofts van hippe Londenaren. Het sloopmateriaal is dus ondanks de enorme hoeveelheid aan leegstand een schaars goed geworden.

Dichter bij huis zijn 2012 architecten methodieken aan het opzetten om steden zelfvoorzienend te maken. Onlangs voerde het bureau een onderzoeksproject uit bij Heerlen, onderdeel van Parkstad Limburg, waar als eerste in Nederland de bevolkingsaantallen dalen. Met het Recyclicity model wil het architectenbureau steden via hergebruik transformeren tot een ecosysteem. Hierbij wordt sloopafval verwerkt tot nieuw bouwmateriaal, een lege flat veranderd in een champignonkwekerij, of kan een leegstaande kerk dienst doen als ‘parkerkgarage’. Of de wijken rondom Heerlen ooit zo zelfvoorzienend zullen worden, hangt af van de politiek. De plannen maken in ieder geval duidelijk dat krimp geen reden hoeft te zijn om bij te pakken neer te gaan zitten. In veel gevallen leiden de projecten zoals gepresenteerd door de kunstenaars en architecten, tot nieuwe vormen van samenleven, waarbij zelfredzaamheid een cruciale factor speelt.

De kracht van de creatieve sector in deze krimp en leegstandsgebieden, is dat ze nieuwe impulsen weet te genereren voor plekken die ogenschijnlijk verloren lijken. Ze raakt er niet door overweldigd, maar grijpt de leegte met beide handen aan.

Naar aanleiding van het symposium LOKO10, over kunst en monumenten in de veranderende stad, georganiseerd door SKOR en Stroom Den Haag. Dit artikel is verschenen op IKCRO en Ruimtevolk.

Getagged , , , , ,

Als een feniks uit de as

Mag je een beeld zomaar van haar oorspronkelijke betekenis ontdoen?
Deze vraag stond centraal tijdens een discussie rondom het Gastarbeidermonument van Hans van Houwelingen en Mohammed Benzakour, dat werd gehouden tijdens het symposium LOKO10 over kunst en monumenten in de veranderende stad
.

Of het nu gaat om een bermmonument voor een verongelukte geliefde, of een bronzen beeld ter verering van een gezaghebbend politicus, met monumenten voorzien we in de menselijke drang belangrijke gebeurtenissen uit het verleden te vereeuwigen. Hoewel een werk fysiek tot in lengte der dagen kan blijven voortbestaan, is dit niet zo vanzelfsprekend voor de betekenis van het werk. Deze is namelijk onderhevig aan de interpretatie van de toeschouwer. Zo is ‘Kabouter Buttplug’ (oorspronkelijk Santa Claus van Paul McCarthy) een eigen leven gaan leiden binnen de interpretatie van de doorsnee Rotterdammer. Je kunt je afvragen of dit erg is. Moet de oorspronkelijke bedoeling van de kunstenaar in tact blijven, of mogen beelden in de loop van de tijd ook een nieuwe betekenis toegedicht krijgen?

Gastarbeidermonument
Tijdens deze editie van LOKO, een jaarlijks terugkerend symposium over kunst in de openbare ruimte, presenteerde de kunstenaar Hans van Houwelingen een primeur: een ontwerp voor een Nationaal Gastarbeidermonument. Samen met de schrijver Mohammed Benzakour was Van Houwelingen door het Centrum Beeldende Kunst (CBK) Rotterdam geselecteerd voor deze opdracht. Het CBK Rotterdam kwam hier niet zomaar mee aanzetten, maar handelde concreet vanuit een wens die in 2007 door (zonen van) gastarbeiders was geuit. In de verhalen over bloed, zweet en tranen waarmee Nederland na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd, ontbreekt stelselmatig de aandacht voor de bijdrage van de gastarbeider. Het werd tijd om deze vergeten groep van onder meer Italianen, Grieken, Turken en Marokkanen erkenning te geven voor de goedkope klussen die wij als Nederlanders weigerden aan te pakken.

Van Houwelingen staat bekend om zijn fascinatie voor monumenten. In plaats van het fysiek oprichten van nieuwe monumenten, is hij juist bedreven in het geven van nieuwe betekenissen aan bestaande beelden. Dit getuige zijn metershoge ‘Zuil van Lely’ (Lelystad, 2002-2004) of zijn werk ‘Update’ dat hij tijdens Sonsbeek 2008 tot uitvoering bracht. In het laatstgenoemde voorbeeld actualiseerde hij het monument van Hendrik Lorentz met honderd tweeënveertig namen van belangrijke wetenschappers die in de voetsporen van deze fysicus hebben gehandeld, vanaf het moment van oprichting tot aan nu. De gestolde herinnering blies hij met deze actie weer nieuw leven in.

Hoewel de initiatiefnemers oorspronkelijk een bronzen beeld voor zich zagen, waren ze direct geraakt door het voorstel van Van Houwelingen en Benzakour. Voor het Afrikaanderplein in Rotterdam Zuid, waar ook de eerste rassenrellen van Nederland plaatsvonden, schreef Mohammed Benzakour een gedicht ter ere van de gastarbeider. Op deze plek wordt het gedicht in meerdere talen zichtbaar gemaakt. Daarnaast neemt het wereldberoemde werk van Naum Gabo (Zonder Titel, 1957) aan de Coolsingel een essentiële rol in beslag. Gabo ontwierp zijn abstracte beeld van staal nadrukkelijk ‘zonder betekenis’ zodat de bevolking zelf invulling aan het werk kon geven. Een binding tussen de Rotterdammers en het werk bleef met de komst van het beeld helaas uit. In de volksmond kreeg het al snel veelzeggende bijnamen zoals ‘Het Ding’, ‘Het Treinongeluk’ of ‘De Gestileerde Bloem.’ Daarnaast bevindt het constructivistische beeldhouwwerk, dat ooit een geschenk was aan de directeur van de Bijenkorf, zich in een deplorabele staat van onderhoud. Zo ernstig, dat het 27 meter hoge beeld bijna dreigt om te vallen.

Het voorstel van Van Houwelingen en Benzakour bestaat eruit om het beeld door hedendaagse gastarbeiders met grondige kennis van restauratietechnieken te laten opknappen. Het beeld uit de wederopbouwperiode zal hierdoor als een feniks uit haar as verrijzen, en tegelijk de arbeid van de migranten eren. Hun bijdrage door het werk te restaureren wordt daarmee het feitelijke monument voor de gastarbeider, aldus Van Houwelingen. Het werk wordt fysiek in oude luister hersteld, en krijgt slechts een conceptuele ingreep door het een betekenis te geven waarmee recht gedaan wordt aan een lang vergeten groep. Je zou verwachten dat een dergelijke hedendaagse invulling van een beeld dat staat weg te kwijnen met enthousiasme wordt onthaald onder collega kunstenaars en kunsthistorici. Niets is minder waar.

Competentiestrijd
De Internationale Beelden Collectie (IBC), die de internationaal bekende werken in de openbare ruimte van Rotterdam initieert en onderhoudt, is fel tegen het plan de Gabo voor dit doeleinde te gebruiken. Lorenzo Benedetti, directeur van de Vleeshal en commissielid van het IBC, vindt dat je niet aan het gedachtengoed van Gabo kunt tornen. Hoewel hij het plan van Van Houwelingen op zichzelf ijzersterk vindt, pleit hij voor het beschermen van de abstractie van het werk. De vrijheid die Gabo uitdrukt door het werk expliciet geen betekenis mee te geven, is immers ook een betekenis. Daarnaast heeft het IBC zelf ook plannen om het werk in samenwerking met de huidige eigenaar, een vastgoedconsortium, te gaan restaureren. Hoewel het werk niet in het bezit is van het IBC, beschouwt ze het door de grote internationale waarde wel als iets waar ze zorg voor dient te dragen. En daarmee zijn beide partijen in een competentiestrijd terechtgekomen. Hans van Houwelingen en zijn opdrachtgever CBK Rotterdam enerzijds, het IBC anderzijds.

Het meest opmerkelijk is dat de discussie tussen Van Houwelingen, CBK Rotterdam en het IBC tot op heden alleen via brieven en emails is verlopen. Pas tijdens LOKO zitten de partijen schoorvoetend ‘live’ met elkaar aan tafel. Volgens Van Houwelingen negeerde het IBC iedere uitnodiging tot inhoudelijke discussie. En hoewel de kunstenaar van meet af aan een zeer groot draagvlak wist te creëren bij de politiek, migranten en andere organisaties, heeft een afwijzend advies van het IBC naar de huidige wethouder erin geresulteerd dat het project nu definitief van de baan is.

Verdeeldheid
Tijdens het debat was ook de verdeeldheid onder de toehoorders te merken. Waarom moet per se de Gabo gebruikt worden en niet bijvoorbeeld de Erasmusbrug? En anderzijds: wat is er op tegen als er in de kunstgeschiedenisboeken komt te staan dat de bevolking in Rotterdam een andere naamgeving en betekenis aan het prachtige werk van Gabo heeft gegeven? Want iedereen was het het erover eens, dat de kwaliteit van het werk als een paal boven water staat. Maar wordt de kwaliteit van een beeld niet medebepaald door de betekenis die mensen eraan geven? Is een beeld niet slechts een lege huls, wachtend op bezieling die de toeschouwer haar geeft?

Juist daar schuilt de kracht van het plan van Van Houwelingen en Benzakour. Ze blazen de Gabo – een beeld dat al decennialang hunkert naar aandacht van de toeschouwer – letterlijk en figuurlijk nieuw leven in. En als twee vliegen in één klap, ontvangt een groep mensen die eveneens naar aandacht hunkert, eindelijk de erkenning die het verdient. Toegegeven, het is een gedurfd concept dat nog een aantal praktische en juridische haken en ogen moet overwinnen, maar het kan wellicht een redding bieden voor een werk dat (net als vele beelden en monumenten in de openbare ruimte) collectieve aandacht mist. Terwijl de interne discussie tussen de kunstcollega’s voortduurt, sterft de Gabo langzaam een stille dood.

Geschreven in opdracht van SKOR en Stroom Den Haag. Verschenen op www.kunstbeeld.nl en IKCRO.

Getagged , , , ,

Zee van leegstand

Nu de economische crisis onze gejaagde levens tot een pas op de plaats maant en leegstand op vele plekken eerder regel dan uitzondering is, zijn er twee opties: zitten kniezen en wachten tot de markt weer aantrekt, of de leegstand met een gezonde dosis creativiteit benutten. De creatieve sector doet het laatste.

Tijdens het symposium LOKO10, over kunst en monumenten in de veranderende stad, stond onder andere de rol van kunstenaars en architecten bij leegstand centraal. Aan het woord kwam landschapsarchitect Ronald Rietveld (Rietveld Landscape), die verantwoordelijk was voor de invulling van het Nederlandse paviljoen tijdens de Architectuurbiënnale 2010. Met een multidisciplinair team bestaande uit zijn broer en filosoof Erik Rietveld, ontwerper Jurgen Bey, beeldend kunstenaar Barbara Visser, NAi curator Saskia van Stein en grafisch ontwerper Joost Grootens, realiseerden hij de spraakmakende tentoonstelling Vacant NL. De boodschap van Rietveld was helder. Het paviljoen gesitueerd in de Venetiaanse Giardini, staat afgezien van enkele maanden per jaar, al 39 jaar lang leeg. Ditzelfde geldt voor een hoeveelheid aan vuurtorens, watertorens, molens, kerken, kloosters en andere publieke gebouwen in Nederland.

Kruisbestuiving
De expositie maakte deze zee van leegstand op indringende wijze voelbaar. Vijfduizend blauwe foam-gebouwtjes variërend van de 17e tot aan de 21e eeuw, zweefden boven de hoofden van de bezoekers in een verder leegstaand paviljoen. Rietveld ging met de presentatie echter nog een stapje verder door niet alleen leegstand te signaleren, maar deze ook te koppelen aan de Nederlandse ambitie om in 2020 tot de top vijf van kenniseconomieën ter wereld te behoren. Door de leegstand tijdelijk te benutten met kruisbestuivingen tussen creativiteit, techniek en wetenschap kan Nederland op termijn weer mondiaal meespelen op het terrein van de creatieve industrie, dat een van de vijf sleutelgebieden binnen de Nederlandse Kennis en Innovatie Agenda vormt.

Leegstaande gebouwen zijn echter niet altijd zo eenvoudig te betrekken. Sylvia Pijnenborg (BOEi), ervaren in het herbestemmen van industrieel vastgoed, laat zien dat er een hoop inventiviteit voor nodig is om eigenaren over de streep te trekken hun panden vrij te geven. Ze zien hun vastgoed liever een aantal jaren leeg staan, dan dat ze creatieven toelaten. Rommel en afbraak zijn de hardnekkige connotaties die nog altijd zegevieren boven innovatieve impuls en waardestijging die deze herbestemming potentieel teweeg kan brengen. Het gevolg is dat gebouwen worden gestript door koperdieven, of door de tand des tijds onomkeerbaar worden aangetast. Het Hembrugterrein bij Zaanstad is een voorbeeld van een leegstaand terrein dat al vijftien jaar lang op bezieling wacht, terwijl beleidsmakers aan de vergadertafel vastgeplakt blijven zitten. Toch zijn er al sprekende voorbeelden van herbestemd vastgoed, zoals de Caballerofabriek in Den Haag en het Rotterdamse Schieblock, waar een interdisciplinair team de komende vijf jaar een stadslaboratorium vormt.

Afstemmen met de gebruiker
Pijnenborg, die zelf verantwoordelijk was voor de herbestemming van de Caballerofabriek, toont tijdens haar presentatie dat commerciële en maatschappelijke sectoren elkaar prima kunnen versterken in dergelijke projecten. Voor kunstenaars kunnen ruimtes goedkoper ontwikkeld worden, terwijl het niveau van afwerking bij de commerciële partijen hoger kan liggen. Om dit te bewerkstelligen is een goede afstemming met de gebruikers noodzakelijk. In sommige gevallen is casco opleveren zelfs voldoende, en kan de verdere invulling worden overgelaten aan de huurders.

Terwijl Pijnenborg meer in termen van permanente herbestemming spreekt, speelt voor Rietveld tijdelijkheid de cruciale factor. Het tijdelijke karakter zorgt er namelijk voor dat er ruimte is voor experiment, waardoor er niet vooraf in eindbeelden wordt gedacht. Juist door professionals uit diverse vakgebieden samen de ruimtelijke condities van het leegstaand vastgoed te laten onderzoeken, kunnen er nieuwe impulsen ontstaan. Old stuff triggers new ideas, zoals de stadsactiviste Jane Jacobs in de jaren ’60 van de vorige eeuw al opmerkte. In plaats van angst voor de leegte, wordt het tijd haar te omarmen.

Verschenen in SMAAK 49, Rijksgebouwendienst.

Getagged , , , ,

Goed voorbereid de crisis in

Eetbaar Park, Nils Norman. Foto: Stroom Den Haag

Is het mogelijk een zelfvoorzienend paradijs te creëren in de stad? Voor het Haagse stadsdeel Escamp ontwierp de Britse kunstenaar Nils Norman ‘Eetbaar Park’, een project bestaande uit twee permacultuurtuinen en een duurzaam paviljoen. De opening van Eetbaar Park vormde voor opdrachtgever Stroom Den Haag aanleiding om een symposium te wijden aan permacultuur binnen de stedelijke context.

De kantine van de amateurtuindersvereniging ‘Nut en Genoegen’ zat stampvol met curatoren, kunstenaars, architecten, biologen, ruraal sociologen én tuinliefhebbers. Centraal stond de vraag welke bijdrage een methode als permacultuur kan leveren aan een ecologische en sociaal gezonde stad. In tijden van economische crisis, krimp en klimaatverandering, kan duurzaamheid het verschil maken.

Permacultuur werd in de jaren ’70 van de vorige eeuw door de Australische onderzoekers Bill Mollison en David Holmgren op de kaart gezet als antwoord op de landbouwmethode van monocultuur. Door de principes van het ecosysteem na te bootsen, wordt de grond niet uitgeput maar juist ten volle benut. Volgens beeldend kunstenaar Nils Norman komt permacultuur voort uit een utopische traditie, zoals geschetst door de humanist Thomas More die in zijn boek Utopia (1516) zelfvoorzienende landbouw als basis van de economie beschouwde. Het klinkt als een contradictio in terminis, maar het tot uitvoer brengen van een utopie is wat Norman met zijn Eetbaar Park wil bereiken.

Het werk van Norman kenmerkt zich door een kritische houding ten aanzien van stadsplanning en grootschalige stadsvernieuwing. Zoals zijn ‘Monument to Civil Disobedience’ (1997), een ontwerp waar hij voorstelt boomhutten te bouwen voor zwervers die destijds met een avondklok uit een park in Manhattan werden geweerd. Naast de toevluchtsoorden bezit het voorstel een ingenieus systeem waarmee de zwervers nachtelijke indringers (lees: politie) op afstand kunnen houden. In plaats van bij te dragen aan de opwaardering van het park, draait Norman de rollen bewust om. Ook permacultuur kan volgens Norman worden ingezet als politiek middel voor bewoners. De zelfvoorziening die het bewerkstelligt, staat immers symbool voor onafhankelijkheid. Om de emancipatie van burgers te bevorderen omvat het project naast tuinen op de locatie van Nut en Genoegen en de Stadsboerderij de Heijerhoeve, ook een duurzaam paviljoen waar educatie over permacultuur wordt gegeven.

Dat een utopisch ideaal zoals permacultuur zijn vruchten kan afwerpen, toont de film ‘Borders in our Mind’ van de Haagse kunstenaar Annechien Meier en de filmmaker Gaston Wallé. Samen bezochten ze Cuba, waar de staat ten tijde van de oliecrisis de bevolking op grote schaal heeft gesteund in het duurzaam produceren van voedsel. Permacultuur heeft daarna een hoge vlucht genomen en wordt tot op de dag van vandaag nog door veel Cubanen met volle overtuiging toegepast; op parkeerdekken, patio’s en daken van woningen, overal kun je weelderige moestuinen tegenkomen. In Cuba is hierdoor een enorme bron van kennis ontstaan over voedselproductie in de stad. Net als Norman experimenteert Meier als kunstenaar met permacultuur in Den Haag. Het Panderplein, dat voorheen als parkeerplaats en hangplek gebruikt werd, heeft nu een transformatie ondergaan als moestuin en ontmoetingsplek voor de buurt.

In het verlengde van het duurzame tuinieren, presenteerden ook enkele architectenbureaus duurzame oplossingen voor de gebouwde omgeving. Jan Jongert van 2012 architecten vertelde over het Recyclicity project, waarmee steden door hergebruik kunnen transformeren tot een ecosysteem. In de Recyclicity wordt sloopafval verwerkt tot nieuw bouwmateriaal, verandert een lege flat in een champignonkwekerij of kan een kerk worden omgetoverd tot “parkerkgarage”.
Het publiek zat weer klaarwakker in zijn stoel toen de architect Thomas Rau het vuurtje lekker hoog opstookte door duurzame moestuinen in de stad af te schrijven als halve maatregelen. Om echt het verschil te maken, dient volgens Rau de basishouding van mensen veranderd te worden. Kennis van de natuur vormt volgens hem de sleutel. Want stelt Rau, de Romeinen wisten al hoe je een gebouw zonder energie kon koelen, dus waarom weten wij dat niet meer? In het ontwerpvoorstel voor het nieuwe Dans en Muziekcentrum in Den Haag dat hij samen met de ontwerpers van de Powerhouse Company maakte, zijn mensen tot de energie-opwekkers van het gebouw gebombardeerd. Naast het opvangen van lichaamswarmte door plafondpanelen, wordt de ontlasting van de bezoekers via een biovergister omgezet in warmte en elektriciteit. Overschot aan koude lucht wordt eveneens opgeslagen, om ‘s winters te leveren aan een ijsbaan op het Spuiplein dat bietensap als natuurlijke koelvloeistof hanteert. Het zelfvoorzienende gehalte in de gepresenteerde ontwerpvisies van de architecten is groot en heeft dan ook veel gemeen met permacultuur.

Hoewel de utopische paradijsjes van zelfvoorziening nu nog maar speldenprikken zijn, kleurt Den Haag steeds groener. Ze gaat goed voorbereid de crisis in.

Meer info:
Het symposium Eetbaar Park werd op 22 oktober gehouden en vond plaats in het kader van het meerjarige programma Foodprint, Voedsel voor de Stad dat Stroom Den Haag sinds 2009 organiseert.
Eetbaar Park wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met tuiniers van G’Aarde Gezonde Gronden.

Verschenen op ArchiNed, 29 november 2010.

Getagged ,
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.